Door Jos de Jong - NLMagazine/Maatschappij & Belastingen – We leren onze kinderen dat sparen verstandig is. Niet alles vandaag uitgeven, maar iets opzijzetten voor morgen. Werken, verantwoordelijkheid nemen, een huis afbetalen en proberen iets na te laten aan de volgende generatie.
Maar precies dáár wringt de schoen. Want wie zijn leven lang zuinig is geweest en vermogen heeft opgebouwd, ontdekt uiteindelijk dat niet alleen zijn kinderen erfgenaam zijn. De Staat schuift eveneens aan. En dat roept een fundamentele vraag op. Van wie is het geld eigenlijk dat u tijdens uw leven eerlijk hebt verdiend en gespaard?
Eerst belasting betalen, daarna sparen
Een werknemer ontvangt een brutoloon. Daarover worden belastingen en premies betaald. Wat resteert, is het netto-inkomen. Van dat netto-inkomen worden boodschappen, energie, wonen en andere uitgaven betaald, waarop bovendien allerlei andere belastingen rusten. Wie vervolgens niet alles uitgeeft, maar verstandig spaart, bouwt langzaam vermogen op.
Misschien wordt daarmee de hypotheek afgelost. Misschien staat het geld op een spaarrekening of wordt het belegd of misschien is cq wórdt er wel een bedrijf mee opgebouwd…
De gedachte daarachter is vaak eigenlijk heel logisch en eenvoudig. “Wat ik zelf niet meer nodig heb, is later voor mijn kinderen en kleinkinderen.” Dat is misschien wel een van de sterkste drijfveren om vermogen op te bouwen.Totdat iemand overlijdt….
Wat dan?
Dan breekt, op zijn Hoallands gezegd, de pleuris uit. Dan is daar, verdraaid nog een toe, opniew de fiscus. Wat heeft de fiscus te maken met het door mijn ouders gespraade geld? Niets, maar toch staat de fiscus in no time voor je deur om te halen waar sij eigenlijk geen recht op heeft. Spaargeld i immers netto-geld, toch? Maar nee, de fiscus hanteert het merkwaardige principe dat overlijden belastingheffing mogelijk maakt. “Waar bemoeit de fiscus zich toch mee!” is een logische vraag voor iemand die gespaard heeft.
Daar heeft de staat weer iets op gevonden. Juridisch zal de overheid namelijk zeggen dat erfbelasting geen tweede inkomstenbelasting van de overledene is. De erfgenaam ontvangt vermogen en over die verkrijging wordt belasting geheven. Formeel klopt dat natuurlijk wel, maar toch is dit toch te grijs voor woorden. Logisch toch dat veel burgers de economische werkelijkheid geheel anders voelen. Immers, het vermogen is niet uit de lucht komen vallen. Vader en moeder hebben er keihard voor gewerkt, ze hebben belasting betaald, wat opzij kunnen leggen en dus gespaard en hebben misschien wel tientallen jaren afgezien van aankopen van extra dingen om iets voor hun kinderen te kunnen achterlaten.
Maar vervolgens zegt de Staat bij het overlijden feitelijk dat een deel daarvan ‘eerst naar óns komt’.
Al je vermogen verhuist naar de schatkist
Noem het erfbelasting, successierecht of belasting over verkrijging. Voor de familie en erfgenamen blijft het resultaat hetzelfde; een deel van het opgebouwde familievermogen verhuist gewoon naar de schatkist. Er zijn tegenwoordig groeperingen, vooral jongeren, die dit terecht vinden (maar dat zijn waarschijnlijk jongeren die nog ver van de maatschappelijke waarheid staan en/of aan het begin van een carrière met nog levende ouders staan… Tegenstanders ervaren het terecht als een dubbele belastingheffing op vermogen dat met reeds belast inkomen is opgebouwd. In gewone mensentaal voelt dat als legale roof.
Waarom zou uitgeven verstandiger zijn dan sparen?
Daar zit misschien wel de grootste tegenstrijdigheid. Stel dat iemand gedurende zijn leven al zijn netto-inkomen uitgeeft aan dure vakanties, auto's, restaurants en andere vormen van consumptie. Dan valt er bij overlijden weinig meer te erven. Klopt, toch! Maar degene die zuinig leeft, spaart, investeert en iets voor zijn kinderen probeert op te bouwen, laat vermogen achter waarop erfbelasting wordt geheven.
Eigenlijk kun je maar één conclusie trekken. Geef je geld vooral uit, want wie spaart voor de volgende generatie, loopt het risico dat de Staat bij de overdracht opnieuw zijn hand ophoudt en dus als het ware steelt van de doden. Dat staat haaks op de klassieke gedachte dat sparen, zelfredzaamheid en financiële verantwoordelijkheid juist moeten worden aangemoedigd.
De overheid als ongevraagde mede-erfgenaam
Nog pijnlijker wordt het wanneer een erfenis niet uit geld bestaat.
Een ouder kan een huis nalaten waarin tientallen jaren is gewoond, of een ondernemer kan een familiebedrijf nalaten of een boer kan grond, gebouwen en machines nalaten. Dat zijn bezittingen met waarde, maar dat betekent niet automatisch dat de erfgenamen grote hoeveelheden contant geld beschikbaar hebben om te kunnen voldoen aan de belastingtechnische erfbelasting. Wanneer belasting moet worden betaald over geërfd vermogen, kan daardoor druk ontstaan om bezittingen noodgedwongen te moeten te verkopen of om een of andere financiering te zoeken. In zo’n voorbeeld doet de Staat je volledig in de shit belanden terwijl een erfenis daarvoor absoluut niet is bedoeld.
Bemoeienissen van de Staat
En dan wordt de principiële vraag ineens heel concreet: Waarom zou een overlijden voor de Staat aanleiding mogen zijn om een deel van het familievermogen op te eisen? Wat voorrecht heeft de Staat om dit op te eisen? Geen, niet en ook helemaal niets. Het gaat alleen om maar om geld dat de belasting zich wil toe-eigenen terwijl ze daar totaal geen recht op hebben.
Erfbelasting raakt daarom aan een veel fundamentelere discussie dan belastingtarieven en vrijstellingen. Het gaat om eigendom. Als iemand na belastingen geld overhoudt, daarvan vermogen opbouwt en besluit dat aan zijn kinderen na te laten, waarom zou de overheid daar bij overlijden opnieuw tussen moeten komen? Het argument dat een erfgenaam het vermogen niet zelf heeft verdiend, verandert niets aan de vraag van wie het vermogen vóór het overlijden was.
Als erfenis werkelijk privébezit is, zou de eigenaar dan niet zelf moeten mogen bepalen aan wie hij dat bezit nalaat? Een huis, spaargeld of onderneming houdt immers niet plotseling op privé-eigendom te zijn omdat de eigenaar overlijdt.
Sparen moet weer betekenis krijgen
Een gezonde samenleving heeft juist belang bij mensen die vooruitdenken. Mensen die niet alles onmiddellijk consumeren. Ouders die verantwoordelijkheid nemen voor hun gezin en grootouders die proberen de volgende generatie een betere start te geven. Dáár gaat het toch om!
Daarom is de discussie over erfbelasting uiteindelijk een discussie die gaat over de vraag hoe ver de aanspraak van de Staat op particulier vermogen mag reiken. Dat moet toch absoluut nihil zijn! Waarom meent de Staat dat zij recht heeft op particulier eigendom en bezit? Dta is eigenlijk toch volslagen onzin!
De overheid heeft geld nodig en belastingen zijn noodzakelijk om publieke voorzieningen te betalen. Maar daaruit volgt niet automatisch dat iedere denkbare overdracht van privévermogen ook belast móét worden. Er moet ergens een grens zijn. En voor veel mensen ligt die grens bij de dood.
Privé-eigendom, voor wie is wat…
Wie zijn hele leven werkt, belasting betaalt, spaart en zuinig leeft, zou erop moeten kunnen vertrouwen dat hetgeen uiteindelijk overblijft naar de mensen gaat voor wie hij/zij het heeft opgebouwd, en ik weet het zeker, de intentie is nooit geweest om dat na te laten aan de Staat. Erfbelasting moet niet uitsluitend worden bekeken als een fiscale inkomstenbron, maar er moet een veel fundamentelere vraag worden gesteld: Als je zelfs na je dood niet volledig mag bepalen wat er met je eerlijk opgebouwde vermogen gebeurt, hoe absoluut is privé-eigendom dan eigenlijk?
Wie sparen wil stimuleren, gezinnen financieel zelfstandig wil houden en wil dat ouders verantwoordelijkheid nemen voor volgende generaties, kan toch moeilijk tegelijkertijd zeggen:
“Spaar vooral voor uw kinderen. Maar wanneer u overlijdt, komen wij eerst even langs.”










