Ofwel, waarom jij netjes betaalt en multinationals vooral goed rekenen - NLMagazine, Economie, economische geschiedenis, diverse belastinggezichten - Nederland voelt voor de gemiddelde ondernemer niet bepaald als een belastingparadijs. Integendeel, als je een aangifte vergeet of een vinkje verkeerd plaatst, dan staat de Belastingdienst direct paraat met rente, een forse boete en een toon die suggereert dat jij hierdoor persoonlijk het nationale begrotingstekort hebt veroorzaakt.
Toch staat Nederland internationaal bekend als precies het land waar belastingen verrassend soepel omheen te leiden zijn. Uiteraard niet voor de bakker of de slager om de hoek, maar juist voor die grote multinationals met goede adviseurs en een flinke dosis creativiteit. De bekendste constructie die daarbij werd gebruikt, is de Double Irish Dutch Sandwich, een fiscale klassieker die Europa honderden miljarden heeft gekost.
Het basisidee is eigenlijk kinderlijk eenvoudig. Bedrijven betalen winstbelasting over winst, en winst blijkt geen vaststaand gegeven maar een rekbaar begrip. Wie kosten opvoert, verlaagt de winst. En wie groot genoeg is, kan bovendien bepalen waar die winst precies naartoe gaat. Kleine ondernemers doen dat met slimme investeringen of aftrekposten, grote bedrijven doen hetzelfde, maar dan met grote posten en internationaal. Zij schuiven winsten naar landen met lage belastingtarieven zoals Ierland of, nog aantrekkelijker, plekken waar het tarief simpelweg nul is. Bermuda bijvoorbeeld. Zon, zee en geen fiscus.
Transfer pricing
Dat schuiven gebeurt via zogenoemde transfer pricing: interne prijzen die dochterbedrijven bij elkaar in rekening brengen. Verkoop je als multinational een product in Nederland, dan lijkt het alsof hier winst wordt gemaakt. Maar als een buitenlandse dochter toevallig extreem hoge kosten factureert voor bijvoorbeeld productie, management, licenties of ‘coördinatie’, dan blijft er hier plots niets meer over. De Belastingdienst ziet het, begrijpt het en verwijst op internationale afspraken. Want je wilt grote bedrijven natuurlijk niet boos maken.
Straks immers, verplaatsen ze een hoofdkantoor met twaalf werknemers en een koffieautomaat.

Intellectueel eigendom en patenten
De echte finesse zat in de volgende stap. Grote bedrijven ontdekten dat ze via patenten en intellectueel eigendom veel meer winst konden wegsluizen. Wie het recht bezit op een uitvinding, een ontwerp of een merknaam, mag daarvoor royalty’s vragen. En die royalty’s zijn kosten voor het ene bedrijf maar eveneens winst voor het andere. Apple was hier een goed voorbeeld van. Het bedrijf plaatste die rechten bij een Iers bedrijf dat officieel in Ierland zat, maar fiscaal totaal ergens anders woonde in bijvoorbeeld Bermuda. Dat kon dankzij een eigenaardigheid in de Ierse wetgeving, zolang het ‘management’ maar elders plaatsvond. Een paar handtekeningen per jaar was voldoende.
Nederland als tussenstop
Omdat de EU geen bronbelasting heft op royalty’s tussen lidstaten, werd Nederland de ideale tussenstop. Royalty’s liepen via een Nederlandse entiteit door naar dat Ierse-Bermudaanse bedrijf, zonder dat Ierland of Nederland belasting hief. En in Bermuda? Daar werd helemaal niets geheven. Zo verdween de Europese winst keurig uit beeld. Twee Ierse bedrijven, een Nederlandse laag ertussen en de sandwich was compleet. Smakelijk, vooral voor de aandeelhouders.
EU-interventie
Het resultaat was dat bedrijven als Apple jarenlang effectief minder dan één procent belasting betaalden over hun Europese winsten. Geen schimmige achterafconstructie, maar een strak georganiseerde, volledig legale machine waar iedereen van wist. Tot de EU er zich rond 2015 mee ging bemoeien, er voorzichtig iets van begon te vinden en de constructie grotendeels verbood. Tegen die tijd stond het geld natuurlijk al veilig geparkeerd. Honderden miljarden, belastingvrij opgepot als in een modern Dagobert Duck-pakhuis.

Dat geld terughalen was lastig, want zodra het officieel werd overgemaakt naar de Verenigde Staten, moest er ineens wel belasting over worden betaald. Dus leenden bedrijven simpelweg geld bij banken met hun buitenlandse miljarden als onderpand en dus uiteraard weer lekkere aftrekbare rente.
Toen Donald Trump aantrad, kwam er alsnog een elegante uitweg, een eenmalige belastingkorting voor bedrijven die hun buitenlandse winsten ‘thuisbrachten’. In plaats van 35% betaalden ze een fractie. Apple schreef een grote cheque, maar bespaarde alsnog een fortuin. Trump kreeg een eenmalige inkomstenpiek, de bedrijven kregen toegang tot hun geld en iedereen was tevreden. Behalve Europese belastingbetalers, die het geld al lang hadden afgeschreven.
De burger opnieuw de klos
En natuurlijk rijst dan de onvermijdelijke vraag waar al dat geld dan wèl vandaan moet komen. Immers, wegen, zorg, defensie, toeslagen en ambities betalen zichzelf niet. Als grote bedrijven te gevoelig blijken voor streng toezicht en ‘sancties’ kunnen treffen door simpelweg te vertrekken, dan is er altijd nog een betrouwbare bron. De burger. Die verhuist niet, die onderhandelt niet en die betaalt keurig op tijd. Dat is veilig, voorspelbaar en juridisch overzichtelijk.
Achterhaalde mentaliteit leeft toch gewoon voort
De Double Irish Dutch Sandwich is afgeschaft, maar de denkwijze en instelling leeft gewoon voort. Grote bedrijven worden gefluisterd en gefaciliteerd, particulieren worden gecontroleerd en gecorrigeerd. Europa liep honderden miljarden mis, Nederland speelde jarenlang kaas en dus mag de burger afrekenen.
Bron: GetGekko.com










