Miljoenen pelgrims, wonderbaarlijke genezingen en een toeristenindustrie die al anderhalve eeuw floreert - NLMagazine/Religie & toerisme – Wie Lourdes zegt, denkt aan Maria, wonderen en genezend bronwater. Maar achter het wereldberoemde bedevaartsoord in de Franse Pyreneeën schuilt ook een enorme toeristische economie.
Jaarlijks komen miljoenen bezoekers naar het stadje, waar geloof en commercie inmiddels bijna onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.
Het begon allemaal in 1858 met een 14-jarig meisje uit een arm gezin. Bernadette Soubirous vertelde dat Maria meerdere malen aan haar was verschenen in de grot van Massabielle. Tijdens een van die verschijningen zou Bernadette opdracht hebben gekregen in de grond te graven. Daar ontstond een bron.
Al snel deden verhalen de ronde over mensen die na het drinken van of baden in het bronwater van hun klachten waren verlost. Lourdes werd daarmee in korte tijd een begrip.
Sinds 1858 zijn meer dan 7.000 vermeende genezingen gemeld. De Rooms-Katholieke Kerk is echter uiterst terughoudend met het predicaat ‘wonder’: slechts 72 gevallen zijn officieel als wonderbaarlijke genezing erkend.
Van onbekend dorp tot miljoenenbestemming
De toestroom werd al in 1858 zo groot dat de gemeente de grot tijdelijk afsloot. Keizer Napoleon III liet de toegang enkele maanden later weer herstellen. Daarna was er geen houden meer aan.
In 1866 kwamen ongeveer 15.000 bezoekers naar Lourdes. Rond 1908 waren dat er al meer dan een miljoen. Tegenwoordig bezoeken jaarlijks miljoenen mensen het bedevaartsoord. Onder hen bevinden zich opvallend veel zieken, gehandicapten en chronische patiënten die hopen op verlichting of genezing.
En waar miljoenen bezoekers komen, ontstaat onvermijdelijk een economie.
Het water is gratis, bijna alles eromheen niet
Het bijzondere aan Lourdes is dat het bronwater zelf gratis verkrijgbaar is. Bezoekers kunnen het drinken en meenemen. Maar wie door de straten rondom het heiligdom loopt, ziet een andere werkelijkheid. Hotels, restaurants, cafés en vooral talloze souvenirwinkels leven van de enorme stroom pelgrims.
Rozenkransen, Mariabeelden, kaarsen, kruizen, medailles, iconen en speciaal ontworpen flesjes voor het Lourdeswater: vrijwel alles wat met het katholieke bedevaartsoord verband houdt, is er te koop.
Daarmee is rond een plek die oorspronkelijk draait om geloof, gebed en hoop een omvangrijke commerciële infrastructuur ontstaan.
Hoop als economische motor
Juist daarin zit de bijzondere tegenstelling van Lourdes. Veel bezoekers komen niet voor een vakantie of een leuk weekendje Frankrijk. Ze komen omdat ze ernstig ziek zijn, omdat reguliere behandelingen weinig meer voor hen kunnen betekenen of omdat ze vanuit hun geloof hopen op iets wat medisch niet kan worden beloofd.Die hoop heeft een enorme aantrekkingskracht.
Schrijver Émile Zola beschreef aan het einde van de negentiende eeuw al de massale toestroom van zieken naar Lourdes. Hij zag overvolle pensions en grote groepen patiënten die onder omstandigheden die naar huidige maatstaven nauwelijks hygiënisch waren, in het water werden ondergedompeld. Meer dan een eeuw later is de organisatie totaal veranderd, maar het basisprincipe niet: mensen blijven komen.
Geloof of toeristenindustrie?
Critici noemen Lourdes daarom weleens een religieus attractiepark. Dat doet misschien tekort aan de oprechte geloofsbeleving van miljoenen pelgrims, maar economisch gezien valt moeilijk te ontkennen dat Lourdes een toeristische industrie van formaat is geworden. En precies dát maakt Lourdes zo fascinerend.
Een verhaal over een arm meisje en een bron in een grot groeide in anderhalve eeuw uit tot een wereldberoemd bedevaartsoord waar miljoenen mensen troost, hoop en soms genezing zoeken.
Voor de één is Lourdes een heilige plaats waar wonderen mogelijk zijn. Voor de ander is het een indrukwekkend voorbeeld van religieus massatoerisme.
Waarschijnlijk is het beide. Want waar miljoenen mensen hun hoop mee naartoe nemen, reist de commercie uiteindelijk vanzelf mee.
Bron: Maand van de geschiedenis










