Column door Fred van Assendelft - NLMagazine/Columns - Toen ik zo’n jaar of negentien was ging ik drie weken naar Engeland, liften. Ik had een weekendtasje met spullen bij me, dat was alles.
Een paar schone onderbroeken, met een onderbroek kon je best vijf dagen doen, dus veel had ik er niet nodig; een paar sokken, ik droeg slippers zonder sokken, maar neem één paar mee, je weet nooit; een trui, twee schone shirts en een tandenborstel. Dat was genoeg voor drie weken, toch ?
Nu ben ik voor een weekendje weg druk aan het inpakken. Heb ik genoeg medicijnen bij me ? Zal ik een extra stel ondergoed meenemen voor eventuele ‘ongelukjes’. Een trui voor de koude nachten en een vest voor overdag, dat kun je opendoen als het toch wat warmer wordt; toch ook nog een paar wandelschoenen, soms gaan we op pad en dan wil je die mooie schoenen die ik nu aan heb liever verwisselen. Kortom, een koffertje vol.
Voor een vakantie van drie weken naar Portugal moet er nog meer geregeld worden. Wat niet meer hoeft is geld wisselen: guldens voor Belgische- en Franse francs, en voor peseta’s en escudo’s, maar het is ongelooflijk wat we voor onszelf allemaal moeten meenemen.
Wat geld betreft zijn er nog veel meer verschillen met toen. Ik stapte destijds in Engeland van de ferry met twintig Engelse ponden op zak (toen ongeveer tweehonderd gulden, ruim negentig euro). Daar kon ik met gemak van rondkomen. Reiskosten had ik liftend niet, slapen deed ik erg ‘low budget’ of zelfs kosteloos. Een slaapplaats in een jeugdherberg kostte per slot van rekening niet meer dan ongeveer 30 of 40 pence (ca. een gulden vijfentwintig - een vijftig).
Op de route naar Weymouth in Zuid-Engeland kreeg ik een lift van een meneer die mij vroeg waar ik precies moest zijn. In mijn vrolijke Engels, echt mooi was het niet, maar verstaanbaar genoeg, vertelde ik hem dat ik een slaapplaats zocht en de man vertelde dat hij misschien wel iets wist, maar dan moest hij even bellen. Dat deed hij bij een telefooncel en veel later hoorde ik dat hij mij omschreef als ‘decent enough’ (netjes genoeg). Ik werd afgezet bij een jeugdhonk en de leider, Ivan, vroeg mij of ik het erg vond om op een matras onder de bar te slapen. Geen probleem, natuurlijk.
Dat was 1965. We zijn nog steeds goed bevriend met Ivan en zijn vrouw Jenny en inmiddels ook met de kinderen en kleinkinderen. Ze wonen allemaal sinds de Brexit in Frankrijk en wij gaan er binnenkort met twee grote koffers vol naar toe, op vakantie.









