Column door Fred van Assendelft - NLMagazine/Columns - “Kom opa, we gaan samen spelen.” Mijn kleindochter van bijna vijf grijpt mijn hand en trekt me mee. “We gaan aan de grote tafel zitten”, beslist ze.
“Wat gaan we dan spelen, Salomé ?”
“We spelen school en ik ben de juf en jij bent het kindje dat het moet leren.”
Ze loopt naar de kast en vraagt me wat voor kleur blaadjes ik wil. Als ik aangeef dat ik rode blaadjes wil, zegt ze: “Maar je krijgt blauw, want dat is mijn lievelingskleur.”
Als we eenmaal zitten en haar stoel is aangeschoven, krijg ik vouwopdrachten. Eerst dubbelvouwen en dan nog een keer. Dan weer openvouwen en twee maal dubbelvouwen over de andere kant. Als het blad weer opengevouwen is, moeten de vakjes geteld worden. Eerst de juf en dan ik. Hardop telt ze zestien vakjes, ik tel ze ook.
Er moeten hartjes op het papier worden getekend en die dienen uitgeknipt te worden: “Goed op het lijntje knippen hoor !”, kletst ze haar eigen juffrouw van school na. Omdat ze mijn hartje toch wat mooier van vorm vindt, stelt ze voor om de hartjes te ruilen. Dan volgt de vakverdeling op de hartjes die weer ingekleurd moeten worden. We zijn goed bezig.
“Nu krijg je een rood papier, opa, daar moet je het hartje opplakken.” Later blijkt dat het rode blaadje ook weer moeten worden uitgeknipt, ach ja, zo blijf je bezig.
Als alles klaar is wordt het resultaat vol trots getoond aan oma. We worden geprezen voor onze kunstwerken. De kleine meid glimt van trots en ook ik vind dat ik goed werk heb geleverd, ook ik ben trots, maar dan anders. Ik vind het schitterend dat ik zo met mijn kleinkind kan spelen. Daar ben ik trots op.









